Ontleden
Persoonsvorm:
Een persoonsvorm is een werkwoord. Een werkwoord geeft aan dat iemand of iets of een ding iets doet. Het zijn woorden die aangeven in welke tijd iets gebeurt. Soms noem je ook wel eens Doe-woorden.
Je vindt de persoonsvorm door de zin…
3 regels:
1. in een andere tijd te zetten (tt / vt naar vt/ tt) of…
2. de zin van enkelvoud in het meervoud te zetten of omgedraaid. Het woord
wat verandert, is de pv.
3. Je kunt ook de zin vragend maken. Het eerste woord is dan de pv. Dit werkt
niet altijd! (VRAAGWOORDEN!!!, waarom, hoezo, wanneer..)
voorbeeld van regel 1
Het schilderij hangt aan de muur.
Het schilderij hing aan de muur.
De hond plast tegen een boom.
De honden plassen tegen een boom.
Vader loopt naar de bushalte.
Loopt vader naar de bushalte?
Wanneer gaan we op vakantie?
Wanneer is geen werkwoord maar een “vraagwoord”.
Met hakken bedoelen de zin in stukjes verdelen. Of officieel in zinsdelen verdelen.
Regel = met elk stukje kun je de zin beginnen.
Een mooi horloge / kreeg / vader / van de zaak.
Eerst hak je de pv los, want daarmee kun je altijd de zin beginnen.
Kreeg / vader / een mooi horloge / van de zaak.
Met hakken voorkom je de fout dat als je een zinsdeel benoemt je geen woorden vergeet.
Bv de oude man kreeg een mooie rolstoel.
De oude man / kreeg / een mooie rolstoel.
Pv = kreeg
Ondw. = man…. Maar zoals je ziet is het zinsdeel: De oude man. Dus het onderwerp is De oude man.
Onderwerp:
Het onderwerp in een zin is: wie of wat wordt door de pv gedaan.
Regel die je moet gebruiken;
Wie/wat + PV (+gezegde) = onderwerp
Wie of wat fietst?
Antwoord: Jan, dus Jan is onderwerp!
Let op: soms bestaat het onderwerp uit meerdere woorden.
Bv. Mijn grote broer heeft een nieuwe bril.
Pv = heeft
Ondw = Mijn grote broer.
Regel; Het gezegde in een zin is de pv en alle andere werkwoorden. En soms het woordje te als het voor een werkwoord staat.
De koe begon plotseling te loeien.
Pv = begon
Gez. = begon te loeien
Martin heeft een glas gebroken.
Pv = heeft
Gez. = heeft gebroken
Het flatgebouw stortte in.
Pv = stortte
Gez. = stortte in
Stortte inis een "splitswerkwoord". Het hele werkwoord is namelijk instorten. Maar in een zin wordt dit vaak gesplitst in: stortte in.
Lijdend voorwerp
Regel: maak een vraagzinnetje door wie of wat voor het gezegde en het onderwerp te zetten. Het antwoord daarop is het lijdend voorwerp.
Anton eet graag friet.
Gez = eet
Ond = Anton
Wie of wat eet Anton? Antw: friet
Dus friet is het lijdend voorwerp.
Annemarie heeft mijn kleine zusje thuisgebracht.
Gez = heeft thuisgebracht
Ond = Annemarie
Wie of wat heeft Annemarie thuisgebracht? Antw: mijn kleine zusje
Dus, mijn kleine zusje is het lijdend voorwerp.
Let op!!!
Soms kun je geen goede vraagzin maken door wie of wat voor het gezegde en het onderwerp te zetten. Dan staat er geen lijdend voorwerp in de zin.
De auto staat naast de bus geparkeerd.
Gez = staat geparkeerd
Ond = de auto
Wie of wat staat de auto geparkeerd?
Dit is geen goede vraagzin, dus ook geen antwoord. Dan staat er dus ook geen Lijdend voorwerp in de zin.
Meewerkend voorwerp
Regel 1: bij een meewerkend voorwerp moet je de woordjes aan of voor weg kunnen laten uit de zin, zonder dat de betekenis verandert!
Of…
Je moet de woordjes aan of voor ertussen kunnen zetten als ze er nog niet staan. De betekenis van de zin mag niet veranderen.
Let op; je mag daarbij wel de volgorde van de woorden in de zin veranderen.
Voorbeeld.
Bas geeft de sleutel aan vader.
Kun je het woordje aan weglaten?
Bas geeft vader de sleutel,….. het blijft een goede zin,
dus… aan vader is het meewerkend voorwerp.
De was hangt aan de lijn.
Hier kan aan niet worden weggelaten, dus… er staat geen meewerkend voorwerp in deze zin.
De kok bereidt ons een heerlijke maaltijd, …het blijft een goede zin, dus… voor ons is het meewerkend voorwerp.