Werkwoordspelling
Werkwoordspelling
Werkwoorden
Een werkwoord geeft aan wat iemand of iets doet.
bv Ramon snurkt, De kraan lekt, Rozen verwelken...
Er zijn twee soorten werkwoorden: sterke en zwakke.
Bij sterke werkwoorden krijg je in de verleden tijd een klinkerverandering. bv loop - liep.
Bij zwakke werkwoorden krijg je in de verleden tijd achter de ik-vorm;
ik-vorm + te (als het onderwerp enkelvoud is)
ik-vorm + ten (als het onderwerp meervoud is)
ik vorm + de (als het onderwerp enkelvoud is)
ik-vorm + den (als het onderwerp meervoud is)
Bij zwakke werkwoorden moet je dus kijken naar de laatste letter van de
ik-vorm om te weten of je er "te of ten" of "de of den" achter moet plakken.
Is de laatste letter van de ik-vorm WEL een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met te of ten (afhankelijk of onderwerp enkelvoud of meervoud is)
Is de laatste letter van de ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met de of den (afhankelijk of onderwerp enkelvoud of meervoud is)
Let op: woorden die in het meervoud een v of een z hebben en die in enkelvoud naar een f of een s veranderen, daarbij moet je de officiële
ik-vorm gebruiken.
Dus:
Hele ww officiële ik-vorm ik-vorm verleden tijd
verven ik verv ik verf verfde of verfden
reizen ik reiz ik reis reisde of reisden
Is de laatste letter van de officiële ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je de ik-vorm met de of den (afhankelijk van het onderwerp)
Voltooid deelwoord
Een voltooid deelwoord ontstaat als je een vorm van zijn, hebben of worden voor een werkwoord zet.
Het is dus geen persoonsvorm!
ik lees een boek. ik heb een boek gelezen.
pv pv volt. dw
Hoe schrijf je een voltooid deelwoord?
- Kijk naar de laatste letter van de ik-vorm.
- Is de laatste letter van de ik-vorm een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je het voltooid deelwoord met een t. bv ge-werk-t
- Is de laatste letter van de ik-vorm NIET een t, k, f, s, ch, p dan schrijf je het voltooid deelwoord met een d. bv ge-open-d
- Ook zijn er voltooid deelwoorden die eindigen op -en. Voornamelijk zijn dat voltooid deelwoorden die afgeleid zijn van sterke werkwoorden. bv Jan is naar huis gelopen.
- Vergeet niet de uitzonderingen....
Een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets (geeft extra informatie) over een zelfstandig naamwoord.
bv: Het kleine meisje kreeg een heerlijke appel.
kleine zegt iets over het meisje en heerlijke zegt iets over de appel.
Vaak kan je ook voltooid deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. ze geven dan ook extra informatie over een zelfstandig naamwoord.
Het gestrande schip moest worden gesloopt.
gestrande is het bijvoeglijk naamwoord dat zegt iets over het schip. Namelijk dat het gestrand is. Gestrande komt van het werkwoord stranden. En het is als voltooid deelwoord geschreven als gestrand.
De etalages zijn geverfd.
in deze zin is geverfd het voltooid deelwoord.
De geverfde etalages zagen er prachtig uit.
In deze zin is geverfde het bijvoeglijk naamwoord.
Hoe schrijven we dan een voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord?
- Eindigt een voltooid deelwoord op -en, dan verandert er niets. bv Het brood is gebakken. Het gebakken brood ruikt lekker.
- Eindigt een voltooid deelwoord op een t of een d, dan schrijf je alleen een - e achter het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord.
bv
- De schepen zijn gestrand. De gestrande schepen ....
- De bomen zjn geplant. De geplante bomen...........
- De deuren zijn geverfd. De geverfde deuren..........
Let op:
Ik noem dat de JOEHOE-woorden.
Vergeet niet de spellingsafspraken, want na een korte klank schrijf je een medeklinker natuurlijk dubbel...en bij een dubbele oo schrijf je er 1 klinker minder...
De uitgeputte mannen liggen in get gras. ipv uitgepute
Het gewitte plafond ziet er weer keurig uit. ipv gewite
De vergrote foto was gescheurd. ipv vergroote
De verbrede weg is een stuk veiliger geworden. ipv verbreede
Tegenwoordig deelwoord
Het tegenwoordig deelwoord geeft extra informatie over hoe het onderwerp iets doet.
|
De meest eenvoudige toepassing van een werkwoord is waarschijnlijk het tegenwoordig deelwoord.
Het enige dat je hierbij hoeft te doen, is de letter 'd' achter het hele werkwoord (de infinitief) te zetten!
Voorbeeld: |
|
zwaaien
liften
liggen
lachen
huilen |
zwaaiend
liftend
liggend
lachend
huilend |
Zwaaiend keken wij onze buren na.
Mijn broer is van plan liftend naar Spanje te reizen.
Languit liggend in het gras zag ik de wolken voorbij trekken.
Hij bekent luid lachend dat het een grap geweest was.
Huilend kwam de kleuter bij zijn juf. |
|
In ouderwetse zinnen kom je het tegenwoordig deelwoord ook nog wel eens tegen met een extra -e.
Dan krijg je zinnen zoals deze.
|
|
zwaaien
lachen
zeggen |
zwaaiende
lachende
zeggende |
Zwaaiende en lachende keken zij toe hoe het schip uit de haven vertrok.
Zo vertrok hij, zeggende dat er een andere tijd zal aanbreken. |
|
|