werkwoordspelling
Werkwoordspelling
ONDERWERP:
Wie of wat doet iets in
de zin. Het onderwerp verandert ook als de zin in enkelvoud of meervoud
wordt gezet
|
Hij gaat naar huis. |
Wie gaat er naar huis? Hij |
|
Wij gaan naar huis. |
Wie gaan er naar huis? Wij |
|
De
autoband is lek. |
Wat is er lek? De autoband |
|
De
autobanden zijn lek. |
Wat zijn er lek? De autobanden |
PERSOONSVORM:
Werkwoord in de zin dat
van tijd kan veranderen, de zin vragend te maken of de zin in het
meervoud of enkelvoud te zetten.
|
Ik word gebeld. |
Ik werd gebeld. |
|
Ik word gebeld. |
Werd ik gebeld? |
|
Ik word gebeld. |
Wij werden gebeld. |
TEGENWOORDIGE TIJD:
Zoek eerst de ik-vorm.
De ik-vorm krijg je door -en van het werkwoord af te
halen. Soms moet je dan nog wat doen om de juiste schrijfwijze bij ik te
krijgen.
|
wandelen |
ik-vorm: |
ik wandel |
ik wandel |
|
lopen |
ik-vorm: |
ik lop* |
ik loop |
|
lezen |
ik-vorm: |
ik lez* |
ik lees |
|
bakken |
ik-vorm: |
ik bakk* |
ik bak |
|
reizen |
ik-vorm: |
ik reiz* |
ik reis |
|
proeven |
ik-vorm: |
ik proev* |
ik proef |
* Deze ik-vormen
schrijf je nooit. Dit noemen we de ik-vorm van het hele werkwoord de
woorden loop, lees, bak, reis en proef noemen we de ik-vorm
|
lopen |
worden |
rusten |
|
ik loop |
ik word |
ik rust |
|
jij loopt (ik-vorm + t) |
jij wordt |
jij rust |
|
hij/zij/het loopt (ik-vorm+t) |
hij/zij/het wordt |
hij/zij/het rust |
|
wij lopen |
wij worden |
wij rusten |
|
jullie lopen |
jullie worden |
jullie rusten |
|
zij lopen |
zij worden |
zij rusten |
Als de ik-vorm van een werkwoord op -t eindigt,
schrijven we niet nog een -t, als je eigenlijk ik-vorm + t op moet
schrijven.
ik wacht jij wacht (geen
extra -t) hij wacht (geen
extra -t)
Als jij achter
de persoonsvorm staat schrijf je alleen de ik-vorm.
Vind jij dit lekker? Loop jij altijd naar school? Word jij vaak gebeld?
Als je achter de
persoonsvorm staat, LET DAN OP:
- Is je te vervangen door jij? Je schrijft de Ik-vorm.
Vind je dat
leuk? Vind jij dat leuk?
- Is je te vervangen door jouw? Je schrijft de Ik-vorm + t
Vindt je zus dat
leuk ? Vindt jouw zus dat leuk?
Een paar werkwoorden
waarbij deze regel niet klopt::
|
mogen: |
ik mag |
jij mag |
hij mag |
wij mogen |
|
kunnen: |
ik kan |
jij kunt |
hij kan |
wij kunnen |
|
zullen: |
ik zal |
jij zult |
hij zal |
wij zullen |
|
zijn: |
ik ben |
jij bent |
hij is |
wij zijn |
|
hebben: |
ik heb |
jij hebt |
hij heeft |
wij hebben |
VERLEDEN TIJD:
Is het werkwoord zwak
of sterk?
Bij sterke werkwoorden
verandert de klinker in de verleden tijd.
|
ik loop |
hij wordt |
ik drink |
wij helpen |
wij zitten |
hij eet |
|
ik liep |
hij werd |
ik dronk |
wij hielpen |
wij zaten |
hij at |
Bij zwakke werkwoorden
wordt in de verleden tijd -de of -te en -den of -ten achter het
werkwoord geplakt
|
ik bakte |
ik zuchtte |
ik hoorde |
ik landde |
|
hij bakte |
hij zuchtte |
hij hoorde |
hij landde |
|
wij bakten |
wij zuchtten |
wij hoorden |
wij landden |
VOLTOOID
DEELWOORD:
Is het werkwoord in de
zin die je niet van tijd kunt veranderen. Het is dus geen persoonsvorm!
Hoe herken je een
voltooid deelwoord?
- Het kan niet van tijd veranderen
- Vaak hoort er een vorm van de werkwoorden zijn, hebben of worden bij
- Veel voltooide deelwoorden beginnen met ge-.
Heb jij de soep geproefd? heb = pv geproefd
= volt. deelw.
Hij is met zijn
step gevallen. is = pv gevallen = volt.
deelw.
Het voltooid
deelwoord kan op drie manieren eindigen. -en, -d, -t::
1. Hij heeft veel gelachen. Zij heeft iets verloren.
2. De hond heeft geblaft. Wij hebben gefietst.
3. Ik heb het net gezegd. Die man heeft van alles beleefd